De Monumenten

Kolebra Bèrdè | Louis Doedel |

Erebegraafplaats Kolebra Bèrdè

 

De enige oorlogsdoden op Curaçao werden anoniem begraven op de ongeweide begraafplaats Kolebra Bèrdè.

Het ging om vijftien Chinese stakers die werden doodgeschoten door "ordebewakers", toen een staking bij Shell in 1942 grimmige vormen begon aan te nemen. Meer dan 60 jaar na dato werden de namen van deze slachtoffers door de Stichting Eerherstel Oorlogsslachtoffers Curaçao (SEOC) in de Nederlandse WO II geschiedenis geplaatst. Daarmee konden deze uit Rotterdam afkomstige Chinezen, die veelal als stoker op de schepen van de Curaçaosche Scheepvaart Maatschappij (Koninklijke Shell) werkten, gerehabiliteerd worden. Hun begraafplaats, waar zij vrijwel meteen na de schietpartij anoniem werden begraven tussen prostituees en andere "heidenen", werd in 2003 gewijd en in 2007 als Nationaal Monument aangemerkt.


Drs. Junness E. Sint Jago, de huidige secretaris van de SEOC, was degene die als eerste de gebeurtenissen rondom de stakingen op Curaçao in 1942 wetenschappelijk heeft beschreven. Naar aanleiding van Sint Jago's boek en verder onderzoek publiceerde Nizaar Makdoembaks (de huidige voorzitter van de SEOC) in 2008 Goelag in de Indische Archipel, een lijvig werk over  verschillende stakingen op Curaçao, in Suriname en in Oost Indië, als ook over het Nederlandse beleid aangaande Joodse Nederlanders die naar de West wilden vluchten. De historische feiten die Sint Jago en Makdoembaks beschrijven vormen zeker geen reden tot vaderlandse trots. Het zou kunnen dat ze daarom zo lang uit de geschiedenisboeken gebleven zijn (of gehouden zijn). Met het werk van beide auteurs en de jaarlijkse herdenking door de SEOC is dit gat in de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog voor goed gedicht.


De geschiedenis

In 1917 werd de Curacaosche Scheepvaart Maatschappij (CSM) opgericht als West Indisch onderdeel van de Koninklijke Shell. In 1940 had de Shell 94 schepen waarvan 36 van de CSM. Op 25 februari 1942 gingen meer dan 400 werknemers en een groep officieren van de CSM op Curaçao in staking tegen de erbarmelijke beveiliging van de toch al slecht onderhouden olietankers. Duitse U-boten hadden de doodsangst er stevig in gejaagd. De officieren en zeelieden die meededen aan de staking werden, omdat het oorlogstijd was, apart opgepakt en opgesloten als dienstweigeraars. Al snel werden de eisen van de voornamelijk Nederlandse officieren door de Nederlandse rechtbank en Shell ingewilligd en zij kregen een betere behandeling. De Chinese zeelieden werden daarentegen massaal opgesloten in kamp Suffisant bij Willemstad. Deze zogenaamde ‘Rotterdamchinezen’ waren voornamelijk stokers en ander machinepersoneel.

        
De Chinese gemeenschap plaatste zelf in alle stilte een gedenksteen voor de slachtoffers van de staking. In 2008 plaatste de SEOC aan de andere kant van de gedenksteen een plaquette.

De omstandigheden waaronder zij moesten werken deden denken aan de tijden van de slavernij. Zij staakten dan ook niet alleen voor betere bescherming tegen de U-boten, maar ook voor een gelijkwaardiger en menswaardiger behandeling. Op 20 april 1942 werd vroeg in de ochtend een poging gedaan werkwillende Rotterdamchinezen van stakers te scheiden. Er ontstond een grote chaos onder de stakers en de ordebewaarders van Shell Curaçao, die werden bijgestaan door enkele agenten van de Nederlandse Militaire Politie. De situatie kreeg het karakter van een opstand. Deze werd door de bewakers met scherp geschut neergeslagen. Enkele van hen raakten hierbij licht gewond, maar onder de ongewapende gevangenen vielen vijftien doden en meer dan veertig gewonden. Deze slachting koste meer mensenlevens dan alle oorlogshandelingen op Curaçao bij elkaar.


De gegevens van de 15 slachtoffers die anoniem zijn begraven werden door de SEOC op de plaquette gezet.

Het optreden was zo meedogenloos omdat de inderhaast geïnformeerde autoriteiten, conform de richtlijnen van de regering in ballingschap in Londen, besloten dat de olieproductie niet in gevaar mocht komen. Aruba en Curaçao beschikten destijds over enkele van de grootste olieraffinaderijen ter wereld, die met name de Engelse troepen in Noord-Afrika van brandstof moesten voorzien. Alsof de schending van hun mensenrechten bij leven nog niet genoeg was, werden de vijftien doodgeschoten stakers anoniem op een ongewijd veldje van Kolebra Bèrdè tussen de heidenen, prostituees en ongedoopte kinderen begraven. Pas op 20 april 2003 werd dit deel van de begraafplaats, op instigatie van de door Makdoembaks geïnformeerde bisschop Mgr. Muskens, door de bisschop van de Nederlandse Antillen, Mgr. Luis Antonio Secco, gewijd tot erebegraafplaats. In april 2007 is de erebegraafplaats vervolgens aangemerkt als Nationaal Monument, ter gelegenheid waarvan door mgr. Dr. Amado Römer  een plaquette werd onthuld en gewijd.


Een CSM tanker uit de tijd van de staking.
Bron foto: Club van Nederlandse Oud Gezagvoerders en Oud Hoofdwerktuigkundigen der koninklijke Shell (CNOOKS)
Noch de Nederlandse overheid, noch enige onafhankelijke onderzoekscommissie heeft zich ooit beziggehouden met deze wandaad. Nog tijdens de oorlog werd het de toenmalige gouverneur van de Antillen zelfs officieel opgedragen een Chinese gezant die mogelijk naar de toedracht van het incident zou gaan informeren ‘terstond de mond te snoeren’.  Na de oorlog weigerde de Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 om het bloedbad onder de Shell-stakers in haar onderzoek te betrekken. Maar de werkweigering van de Nederlandse scheepsofficieren die samen met deze Chinese Shell-arbeiders meestaakten, werd wel door deze commissie in behandeling genomen. Ook Nederlands bekendste Tweede Wereldoorlog geschiedschrijver, Dr. L. de Jong, vond het niet nodig veel woorden aan dit drama vuil te maken. De beschrijving van deze Februaristakingen in 1942 beslaat welgeteld één pagina van zijn omvangrijk historisch verslag van Nederland in 1940-’45.  Dat hier sprake was van ernstige schendingen van mensenrechten en arbeidsrechten heeft De Jong in het geheel niet ter sprake gebracht.
De genummerde grafmarkeringen, die onder de gekapte overgroeiing vandaan kwamen, zijn het bewijs van de inzet om de vijftien slachtoffers met een absoluut minimum aan fatsoen, z.s.m. en voor altijd te laten verdwijnen.
Vorige